Fragment van het Boek



                                                      


“De afgelopen veertig jaar is er 2500 miljard dollar in de arme landen gestoken. Wat heeft het opgeleverd? Zijn de rijke landen er zelf rijker van geworden? Wat is nou veertigduizend euro voor een investering in een goed bedrijf dat direct ten goede komt aan de armsten?” zeg ik.

“Daar heb je wel gelijk in, maar het geld van het verdrag van Schokland is daar niet voor bedoeld. Ze moet er zelf ook moeite voor doen. Het geld komt niet uit de lucht vallen,” zegt Mels. “Je weet, wat mijn droom is,” vervolg ik, “dat één rijk gezin op microniveau, twee armere gezinnen ergens in de wereld zou kunnen adopteren. Dat rijke gezin krijgt een bepaald bedrag om aan die twee gezinnen te besteden. Het geld van de ontwikkelingssamenwerking wordt via de belasting aan de gezinnen toegekend die dit doorsluizen naar hun twee adoptiegezinnen. Dit geld komt direct ten goede aan de doelgroep. De lijnen zijn kort. De betrokkenheid kan groot zijn. Er kan een uitwisseling ontstaan. Wat hebben al die studentenstages in Afrika niet teweeggebracht? Gisteravond in Lingo zagen we nog dat een student die stage had gelopen in Angola, vijfduizend euro won en dit schonk aan haar tolk voor zijn studie. Wat kan daar op tegen zijn?” vraag ik me hardop af.

Daar is niets op tegen, maar het geeft de meeste voldoening, als je ergens moeite voor moet doen en het zelf verdient. Het probleem van de honger is niet het voedseltekort, maar juist het gebrek aan inkomen. Er moet een eerlijke handel komen en Europa moet de handelsbescherming opheffen. We gaan ten onder aan egoïsme en hebzucht!” spreekt hij luid. Ik haal diep adem en hou bewust mijn mond. Hoeveel felle discussies hebben we hier in al die jaren over gevoerd. De geleerden zijn het niet met elkaar eens. Hoe kunnen wij het ooit eens worden?

“Ik ga naar bed, om halfzes gaat de wekker weer. Jij hebt lekker vakantie,” zegt hij venijnig. Ik ga ook naar boven uit solidariteit en in de hoop, dit brandje voor het slapen gaan te blussen. ‘Altijd in vrede gaan slapen’, hoor ik het stemmetje van mijn schoonmoeder in mijn hoofd. Ik kruip in bed en voel zijn rug naar me toe. Ik sla een arm om hem heen. “Geven we elkaar nog een nachtkus?” vraag ik op sensuele toon om de spanning te doorbreken. Hij draait zich om. “Vooruit dan, omdat jij het bent en niet Sophia Loren,” grapt hij en de spanning vloeit weg. We kussen op het kussen en in standje vierenveertig vallen we eendrachtig in slaap.

Na een uur word ik wakker van een tik op de deur. Hawa doet de deur open en ik spring uit bed.
“Wat is er aan de hand?” vraag ik ongerust.
“Ik kan niet slapen van de kiespijn,” zegt ze. “Heb je een paracetamol voor me?”
We gaan naar beneden en ik geef haar een tablet.
“Heb je vaker kiespijn?” wil ik weten.
“Ja,” zegt ze. “Ik heb hier sinds de keizersnede last van.”
“Ben je ermee naar een tandarts geweest?” vraag ik.
“Nee, ik ben bang voor de tandarts en die kan ik niet betalen. Ik hoopte dat het vanzelf wel weer weg zou gaan.”

Ik kan me die hoop goed voorstellen. Mels had kiespijn en moest naar de tandarts. Mali telde toen zeven tandartsen, van wie er drie in Bamako zaten. Het was een grote behandelkamer. Tegenover hem zat een vrouw op een houten stoel. Naast de stoel stond een emmer met bloed van de voorgaande klanten. In zijn zicht trok de tandarts met een grote tang en een flinke ruk een kies uit haar mond. Ze gilde het uit van de pijn en het bloed stroomde als in een horrorfilm uit haar mond. Mels schrok zich rot, maar er was geen weg terug. Toen was hij aan de beurt. Er moest een kies gevuld worden. De tandarts vroeg of hij een verdoving wilde. Zijn mond viel open van verbazing. Dit was hem in Nederland nooit gevraagd. Uit solidariteit met de vrouw zag hij ervan af. Ik ben geen watje, dacht hij en hij hield zijn mond goed open. Na een kwartier stond hij weer buiten, zonder pijn.

“Heb je zin in een kopje thee?” vraag ik.
“Graag, want dan kan de tablet inwerken en dan kan ik straks gaan slapen,” zegt ze. “Hadden jullie gisteravond ruzie? Ik hoorde jullie zo hard praten!” Wat moet ik hier op zeggen?
“Ruzie is een groot woord, maar het ging er wel heftig aan toe.”
“Waar ging het dan over?” vraagt ze.
“Dat is een lang en ingewikkeld verhaal, waar we zelf ook niet uitkwamen. Het ging over geld geven aan arme landen en arme mensen,” vat ik simpel samen.
“Maar even wat anders Hawa, weet je nog dat Hamadi toen ook eens een kies heeft laten trekken?”
“Nou en of,” herinnert ze zich.

Hamadi werkte toen ook bij ons. Hij hield de buitenboel bij en Hawa de binnenboel. Het was een rasechte Peulh. Trots en zelfverzekerd en nergens bang voor. Op een dag schoof er een slang onder mijn stoel. Ik hield mijn adem in en deed mijn benen omhoog. Gelukkig zag ik Hamadi en wenkte hem. Met zijn coup-coup sloop hij op de slang af en met één haakse tik onderbrak hij rigoureus het leven van het lange schepsel.

“Hamadi, hoe zou het met hem zijn? Zie jij hem nog wel eens?” vraag ik.
“Nee, hij is toen naar Ivoorkust gegaan om geld te verdienen,” zegt ze.
“Wat kon hij een sterke verhalen vertellen, ik geloofde er niet de helft van,” lacht ze.
“Dat verhaal van die kies was toch wel echt gebeurd?” vraag ik.
“Ja, dat geloof ik wel. Hij was toen naar een traditionele genezer en brousse gegaan. Daar had hij alle vertrouwen in. Weet je nog hoe die man zijn kies had getrokken?” vraagt ze.
“Nee, vertel!” zeg ik nieuwsgierig.
“Wel, hij had het ene uiteinde van een touwtje om die kies geknoopt en het andere uiteinde aan de knop van de deur.

Iemand hield het hoofd van Hamadi vast en de genezer trok met een harde ruk de deur open. De kies vloog er uit, maar het bloedde heel erg. Toen heeft hij de wond dicht geschroeid met een gloeiendhete spijker! Apetrots kwam hij dit vertellen.” “Ik stel voor dat jij morgen naar de tandarts gaat. Jammer genoeg hebben we hier geen traditionele genezer,” plaag ik haar. “Vind je het goed om naar een gewone tandarts te gaan?” “Graag!” zegt ze lachend en ze gaat terug naar bed. Ik kan de slaap niet vatten. De cursor in mijn hoofd raast alle kanten op. In één minuut krijg ik wel tien verschillende onsamenhangende gedachten. Het lijkt wel of mijn cursor de weg kwijt is in mijn labyrint. Ik voel me moe, maar kom niet tot rust. Ik probeer de baas te worden over mijn eigen besturingsmechanisme. Zo stel ik me dementie voor: dat je de macht over je eigen cursor, je eigen concentratiepunt kwijt bent. Dat je als het ware in je eentje in een roeiboot zonder roeispanen ronddobbert en alle kanten op drijft. “Ho, stop!” roep ik mezelf tot de orde. “Rust in de tent!” Ik pak de letter C van cursor en ga zesletterwoorden op een rijtje zetten. Cactus, cadeau, carbon, centje, charme…

Als ik ’s morgens wakker word is Hawa net klaar met haar ochtendgebed. “I ni sògòma,” groet ik.
“Nsé, i ni sògòma,” antwoordt ze.
"Herè sira wa?” vraag ik.
Heb je de nacht vredig doorgebracht? Ze antwoordt: “Tòòro si tè.” Het ongeluk is niet met me. “Hoe is het met de kiespijn?” vraag ik toch maar.
“Dat gaat een beetje beter.”
“Zal ik de tandarts bellen?”
“Graag,” zegt ze.
“Wil je iets voor hem uitzoeken om cadeau te geven?” vraag ik haar om zo een rekening voor te zijn. Mijn zwager zegt altijd: als ik alleen mijn mond open doe bij de tandarts, ben ik net zo veel geld kwijt als aan honderd sinaasappels ingevlogen uit Marokko. Ik doe de gordijnen open. De lucht is rood gekleurd.
“Wat is dat, een bosbrand?” vraagt Hawa verschrikt.
“Nee, dat is de zon en dat betekent, morgenrood, water in de sloot. Vandaag gaat het regenen,” voorspel ik